Browsing articles from "oktober, 2010"

Het beste zorgplan op de achterkant van een bierviltje.

OK, een bierviltje is wat aan de kleine kant maar de strekking is dat je voor een goed zorgplan/ondersteuningsplan niet veel middelen nodig hebt. Wat je wel nodig hebt is een visie en een methodiek die je volgt.
Verder is het noodzakelijk om een beeld te hebben wat de client vraagt en hoe kun je daar beter achter komen door het hem/haar gewoon te vragen. Desgewenst zet je daarbij het netwerk van de client ook voor in.

Minimale onderdelen van een zorgplan zijn het perspectief van de client (wat wil hij/zij bereiken), de (werk)doelen die gesteld worden op basis van het perspectief en de interventies die ingezet worden om de doelen te bereiken.

De instellingen die denken dat ze het goed voor elkaar hebben als ze een ECD hebben aangeschaft komen vaak van de koude kermis thuis. Na jaren van moeizame implementaties komt men tot de conclusies dat de kwaliteit van de zorgplannen nog steeds niet veel in kwaliteit zijn toegenomen. Naar mijn stellige overtuiging vooral als gevolg van geen of weinig methodische ondersteuning en vanwege het simpele feit dat het zorgplan voor 1 of 2 jaar in de kast gaat zodra het gereed is.

Huidige technologie kan er voor zorgen dat er juist op de onderdelen uit het zorgplan wordt gerapporteerd, de rode draad uit het plan krijg je op die manier telkens weer op een presenteerblaadje. Helaas zijn zorgplan en rapportage nog mondjesmaat aan elkaar gekoppeld. Onbegrijpelijk vanuit het principe van Plan-Do-Check-Act. De Verstandelijk Gehandicaptenzorg kan een flinke kwaliteitverbetering doormaken als men werkt vanuit een PDCA cyclus. Daar hoeft geen peperdure software voor aangeschaft te worden maar het vereist wel visie en een bierviltje.

‘Zeurende’ ouders

okt 15, 2010   //   by Geert Klein Breteler   //   Blog, Verstandelijk Gehandicaptenzorg  //  No Comments

Ik ken het nog van de tijd dat ik leerling Z-verpleegkundige was.
Op zondagochtend had je enorm je best gedaan om de kinderen van je leefgroep te douchen (toen was dat nog heel normaal) en keurig aan te kleden. Even later kwamen dan de eerste ouders om hun kind voor die dag mee naar huis te nemen. Het merendeel van de ouders was natuurlijk dolgelukkig hun kroost te zien maar een enkeling had altijd iets te zeuren over dat de kleding niet netjes was gestreken of de haren niet goed gekamd.
En inderdaad dat werd toch vooral als zeuren ervaren.
Nu, vele jaren later, kan ik daar anders naar kijken.
Ik was net als mijn collega’s ergens begin twintig terwijl die ‘zeurende’ ouders een stuk ouder waren. Onze norm hoe je kind er op zondag uit hoort te zien verschilde bij ons dan ook totaal in vergelijking met die van de ouders. Hoe eenvoudig zou het geweest zijn om wat meer op te schuiven in de richting wat die ouder graag wilde zien.

Ik zie dergelijke patronen ook nu weer voorbij komen in mijn rol als innovator van zorg 2.0 concepten. Als voorbeeld neem ik een kindercentrum binnen een instelling voor Verstandelijk Gehandicaptenzorg. De begeleiders werken elke dag weer keihard om zo goed mogelijke zorg te kunnen bieden aan de kinderen die het centrum bezoeken. Dagelijks rapporteren zij over hun bevindingen en voorgang. Als ze dat gedaan hebben moeten ze ook nog snel in de schriftjes voor de ouders schrijven wat er die dag zoal heeft afgespeeld.
Het zijn de schriftjes die dagelijks heen en weer pendelen tussen huis en kindercentrum. Het schrijven van de schriftjes is vaak een sluitpost en door de tijdsdruk wordt het meestal als lastig ervaren. De ‘zeurende’ ouder komt daarmee opnieuw, geheel onterecht, in beeld.

Wie hebben er meer recht op een adequate informatie-uitwisseling dan ouders die vaak na een jarenlange worsteling hebben moeten besluiten hun kind voor enkele dagdelen per week naar een kindercentrum te brengen.

Ik moedig zorgaanbieders dan ook aan de informatie die ze vastleggen over dun cliënten te delen met de betrokkenen. De volgende stap is om de betrokkenen, cliënt en diens netwerk, de mogelijkheid te bieden om zelf vast te laten leggen waar ze mee bezig zijn en wat de voortgang is. De voortgangsrapportage is dan niet langer het domein van de professional maar een gedeelde bron van informatie. U maakt daarmee de cliënt daadwerkelijk lid van het behandelteam. Ik voorspel dat daarmee het commitment in begeleiding/behandeling gaat groeien en dat professionals informatie krijgen die nu voor hen onbereikbaar is. Zeurende ouders worden daardoor ook lid van het behandelteam en leveren een aandeel in de behandeling en begeleiding van hun kind.

Gun hen de plaats die ze verdienen.